Beschrijving van het landschapsmonument
De inpoldering van het gors de Ruigenhil dateert van 1564. Het bestek van deze inpoldering is bewaard gebleven en kan nu nog worden geraadpleegd. Zestien jaar eerder in 1548 werd als eerste polder de Oude Fijnaart bedijkt (zeedijken rondom). In 1558 volgde bedijking van de Groote Polder van Klundert tezamen met de Nieuwe Fijnaart. De inpoldering van de Ruigenhil in 1564 completeerde het Eiland van Fijnaart, Klundert en de Ruigenhil. Later werd dit eiland groter door meer inpolderingen, met als eerste uitbreiding de Oude Heijningen in 1583.

In het oosten kon de Ruigenhil aansluiten op de al bestaande polderdijken van Fijnaart en Klundert, deze oostelijke dijk werd daarmee aan beide zijden droog (nu Drogedijk en Tonsedijk). In het zuiden, westen en noorden waren de dijken aan een zijde nat, zeedijken dus (nu Stadsedijk, Helsedijk, Westdijk en Oostdijk). De dijkprofielen tonen vandaag de dag nog fraai hun droge polderkant (de steilere zijde) en voormalige zeekant (een veel minder steil profiel). De bredere zeeflank van een dijk werd in latere tijden veelvuldig gebruikt voor huizenbouw (landarbeiders) en de bouw van kleine boerderijen (keuterboeren). Zo bleef er meer kostbare vlakke poldergrond beschikbaar. Wat opvalt aan de huidige Stadsedijk en Helsedijk is het bochtige verloop. Dit is ontstaan omdat men bij de aanleg rekening moest houden met de vele kreken ter plekke. Men wilde deze geulen graag haaks afdammen en overdijken. Iedereen weet dat ook herstelde dijkbreuken kunnen resulteren in een dijkbocht rondom het stroomgat, dat dan binnendijks achterblijft als een weel of wiel, maar dit soort krommingen vertonen de dijken van de Ruigenhil niet.

Kort na de inpoldering, tijdens de Allerheiligenvloed van 1 november 1570, liep de Ruigenhil in. Waar toen de dijk het precies begaf of overliep, vertellen de dijkbochten ons niet. Er is ook geen nauwkeurige beschrijving van bekend. Bestudering van de bijgevoegde kaarten uit 1565 en 1580 maken de zeedijk (nu Stadsedijk) iets westelijk van Oudemolen verdacht. Het zeewater zal in die hoek enorm zijn opgestuwd. Tijdens de inpoldering was daar een flinke kreekgeul afgedamd (kaart 1565) en dat bleek wel vaker een zwakke plek bij latere stormvloeden. Verder zien we op de kaart van 1580 een klein binnendijks halfrond watertje in de oksel van de huidige Oostmiddelweg en Stadsedijk. Is dat een restantje van de oude geul of is de polder er in 1570 wellicht ingelopen?

De nieuwe polder werd in 1564 volgens de modernste inzichten ingericht: twee lange kaarsrechte wegen (nu Noordlangeweg en Zuidlangeweg), van zuidoost naar noordwest lopend. Beide wegen werden haaks gesneden door drie rechte kruiswegen
(nu Oostmiddelweg, Westmiddelweg en Steenpad). De zuidelijke langeweg eindigde al bij wat nu de Steenpad is, de noordelijke liep door tot de westelijke zeedijk. Op deze manier werd de polder zo optimaal en rechthoekig mogelijk verdeeld in elf min of meer gelijke stukken. De verkaveling, sloten en hoefpaden volgden genoemde kaarsrechte lijnen. Parallelle lijnen en haakse hoeken zijn ook nu nog heel kenmerkend voor de Ruigenhil (zoom in op de kaarten van 1565, 1580 en 1590). Ook was en is er een hele mooie dissonant, namelijk het uitgebreide en grillige krekenpatroon, de oude van voor de inpoldering daterende eb- en vloedgeulen. Men groef sloten, effende akkers en dempte de meeste kleine kreken. Grotere kreken brachten het polderwater uit de sloten richting Kromme Kreek, die via de Bovensluis op het Hollandsch Diep uitwaterde.
De voor die tijd grote boerderijen werden nabij de rechte polderwegen of onderaan de dijk in de vlakke polder gebouwd, meestal nabij een kreek of op een oude kreekrug. Doordat op zulke plekken de kleilaag meestal direct op zand ligt, zonder tussenliggend veenpakket, bouwde men daar op vastere ondergrond. (Waar onder de klei het veenpakket ontbrak zou de bodem later minder inklinken, maar het probleem van inklinking en bodemdaling was in 1564 nog iets voor de toekomst.)
Boerderijen lagen veelal op of nabij de eigen kavels, verspreid in de polder. Ook de locatie en plattegrond van het in 1566 gestichte dorp Ruigenhil (na omwalling Willemstad) werden zorgvuldig en rechthoekig gepland, dit bij een buitendijkse geul die men tot haven kon omvormen, een hoofdstraat (de Voorstraat) haaks op de dijk, twee achterstraten parallel aan de Voorstraat, de Kerkring (een vierkant) aan het einde van de hoofdstraat, stadhuis op de dijk bovenaan de Voorstraat, dus bij de haven, kortom een zuivere vorm van het welbekende Flakkeese dorpstype. De vele hedendaagse haast onzichtbare sluisjes, stuwen en peilschalen in de polder dienen te worden genoemd, evenals het moderne elektrische gemaal aan de Tonnekreek. De Ruigenhil is vandaag de dag aan noordzijde buitendijks nog nat. De buitendijkse weilanden, grienden en rietvelden langs het Hollandsch Diep zijn onderdeel van het hiervoor beschreven landschapsmonument.

De Mark, ooit grensrivier in de Ruigenhil
De Mark wordt gerekend tot het stroomgebied van de Maas. De huidige uitmonding via de voormalige Barlake en Dintel in het Volkerak ontstond pas in de late Middeleeuwen. Rond het jaar 1000 bestonden Hollandsch Diep, Volkerak en de huidige Hoeksche Waard nog niet. Er was sprake van uitgestrekt landschap bedekt met het zogenaamde Hollandveen, toen nog ruim boven zeeniveau gelegen. Vanaf Zwartenberg stroomde de Mark naar waar nu het treinstation van Zevenbergen ligt, liep dan verder naar het latere Niervaert (dat lag noordelijk van de hedendaagse Bloemendaalsche Polder, iets zuidwestelijk van de rotonde naar het Industrieterrein Moerdijk). Vanaf het oude Niervaert vervolgde de rivier zijn loop zuidelijk langs het huidige Klundert. Vervolgens liep de oude Mark, uitgedrukt in hedendaagse namen (zie kaart 1968) als volgt: Scheireevliet (tot gemeentelijke herindeling grens tussen Klundert en Fijnaart), Kleine Ton, Kromme Kreek, Bovensluis, door het huidige Hollandsch Diep naar de havenmond van Numansdorp, om daar in de toenmalige Striene te stromen. De Striene zelf mondde noordelijker uit in de Maas. In de buurt van Zevenbergen werd de Mark grensrivier tussen Holland en Brabant.
Het land van Strijen en Niervaart noordelijk van de Mark behoorde dus tot het Graafschap Holland. Alles ten zuiden van de oude Mark was deel van het Hertogdom Brabant. Door huwelijk en vererving viel het gebied ten noorden van de Mark in de inpolderingsperiode (omstreeks 1500) onder de Heren van Breda. Deze Brabantse heren hadden dus ook bezittingen in Holland. Ten zuiden van de Mark had de Markies van Bergen op Zoom het voor het zeggen. Rond 1500 zijn de oude middeleeuwse grenzen tezamen met het voormalige veenlandschap al bijna honderd jaar verdronken. Het gebied slibt op en nu kunnen er vruchtbare kleigorzen worden ingepolderd. U begrijpt, er ontstaan conflicten tussen Breda en Bergen op Zoom. Breda stelde brutaal dat de Mark altijd al veel zuidelijker richting Dintel en Volkerak had gestroomd. Er zijn over de oorspronkelijk loop van de Mark en dus de grens aan het begin van de zestiende eeuw diverse rechtszaken gevoerd. Rechters, onderzoekers en landmeters hadden het er druk mee. Op de gorzen ergens in de buurt van het huidige Tonnekreek en Bovensluis werd nog een oude grenspaal terug gevonden en dat was natuurlijk gunstig voor de claim van Bergen op Zoom. Aanvankelijk dacht men dat de Tonnekreek een stuk oude Mark was, wat de Tonnekreek als voormalige gemeentegrens tussen Klundert (Holland) en Willemstad (Brabant) verklaart. Later zijn wetenschappers meer overtuigd geraakt dat de grens iets westelijker moet hebben gelopen (nu kreek de Kleine Ton en Kromme Kreek). Vanaf de Bovensluis liep de Mark dan weer naar de Striene. Vandaag de dag een grenspaal bij de Bovensluis op de Oostdijk zetten, zou niet misplaatst zijn.
Kernpolders in West-Brabant
Kernpolders als het Oudland van Standdaarbuiten (bedijkt 1525), de Oude Fijnaart (bedijkt 1548), de Groote Polder van Klundert (bedijkt 1558) en de Oude Prinslandschepolder (bedijkt 1605) waren in de aanleg net zo zuiver en kenmerkend als de Ruigenhil nu nog. Maar in moderne tijden werden bedoelde kenmerkende structuren danig aangetast. Het Oudland van Standdaarbuiten heeft z`n pijpleidingenstraat, hoogspanningsmasten, de A17, knooppunt Noordhoek, A59 en een ontsluitingsweg vanaf de Oudendijk over de Mark naar Oudenbosch. De Oude Fijnaart werd in tweeën geknipt door de A59 met parallelweg en daarmee werden dorp en polder van elkaar gescheiden. Het Industrieterrein Moerdijk deed de oostelijke helft van de Groote Polder van Klundert onder het opgespoten zand verdwijnen, laat staan dat daar nog sprake is van een rechte langeweg met kenmerkende haakse kruiswegen. In het hart van het zeekleigebied van West-Brabant ligt westelijk van Nieuw-Gastel en Stampersgat de Oude Prinslandsche Polder met daarin Dinteloord. Dankzij de A4 en een steeds verder uitdijend AFC gaat deze monumentale polder verloren. Rotterdam en Antwerpen groeien naar elkaar toe.

